

Daucus is een geslacht van kruidachtige planten uit de schermbloemfamilie. Slechts enkele soorten vormen eetbare wortels, zoals de penwortel van de Daucus sativa, bij ons bekend onder de generieke naam wortel (veelal winterwortel of worteltje) of peen (zoals in bospeen en waspeen).
Het geslacht bestaat voornamelijk uit tweejarige planten, maar omvat ook enkele eenjarige planten en enkele overblijvende kruiden. De planten hebben beheaarde stengels en hebben een schermvormige bloeiwijze, zoals je van een lid van de schermbloemfamilie mag verwachten., De bloemen kunnen zuiver wit zijn, maar ook roodachtig, rozig of geelachtig. De bestuiving gebeurt door insecten.
Het is een misvatting dat alleen de gecultiveerde 'peen' eetbaar zijn. Ook de wilde peen (Daucus sativus) en de Amerikaanse wilde peen (Daucus pusillus) hebben eetbare wortels 4). De Amerikaanse wilde peen, ook wel 'tiny carrot' of "rattlesnake carrot" genoemd, wordt onder andere in de Sonora-woestijn aangetroffen.
Op deze site behandelen we alleen de wilde wortel (Daucus sativa) en de gecultiveerde wortel of peen.
Het geslacht Daucus komt wijdverspreid voor in Noord-Afrika, Zuidwest-Azië, Europa, Australië, Nieuw-Zeeland, Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Gecultiveerde wortels worden wereldwijd geteeld in meer gematigde streken, waar ook de wilde soort voor komt. Jaarlijks wordt de wortel wereldwijd op naar schatting 1,2 miljoen ha geteeld.
De plantennaam daukos is voor het eerst gebruikt door de Griek Theophrastus (371-287 v. Chr.). Daarmee doelde op een geculktiveerde zwarte 'peen' met de latere botanische naam Daucus carota ssp. afghanicus. Maar dat is niet zeker. Het zou ook de Kretenzische wortel geweest kunnen zijn, de latere Athamanta cretensis.
Dioscorides beschreef de Daucos als plantengeslacht met drie soorten: wederom de Kretenzische daucus of Daucus van Candy, een stad in het oude Kreta, niet met snoep of zoet te maken, de wilde selderij, en een derde soort dat hij beschrijft als een soort met bladeren van koriander, witte bloemen, kop en zaden van dille en de schermbloem van wortel (of pastinaak). Naast de Daucos bechrijft hij ook de Gingidium, de latere Daucus gingidium of zeewortel, later ook Daucus carota subsp. drepanensis. Deze Gingidium, schreef hij, is vergelijkbaar met de wilde wortel, heeft een licht bitter smakende witte wortel, die gekookt of gekookt als groente wordt gegeten.
Plinius de Oudere en Aulus Cornelius Celsus onderscheiden vier soorten 'pastinaca' en Oribasius verklaart dat Dioscorides' stafilinus een synoniem is voor de daucus. Galen onderscheidt de wilde daucus 'die sommigen Staphylinos noemen' en tamme daucus.
De drieledige groepering van Dioscorides blijft lang bestaan. Dodoens onderkent als eerste dat de derde door Dioscorides beschreven plant de 'wilde wortel' moet zijn geweest. Gerard heeft een iets andere versie, namelijk de beschreven staphylinos rode wortels gehad moet hebben en in het Latijn 'pastinaca sativa' werd genoemd om haar te ondercscheiden van de pastinaak met witte wortels, de pastinaca sylvestris tenuifolia. De derde soort, de daucus van Kreta zou de daucus zijn zoals door Dioscorides beschreven. 2,3,4)
Het geslacht Daucus is benoemd en beschreven door Linneaus in Species Plantarum (1753). Daucus is afgeleid van het klassiek Griekse woord δαυκος (δαυκος daucum of daucos) dat werd gebruikt door Hippocrates en door Dioscorides. Deze laatste beschreef daarnaast de Staphylinos agrios, vertaald als Daucus carota var. sylvestris en de Daucus carota, de wilde en gecultiveerde wortel. De wilde noemde hij ceras.
Op grond van bovenstaande wetenschap is het geslacht Daucus genoemd naar de eetbare penwortel. In vrijwel geen taal heeft het geslkacht een populaire naam, bezigt men de officële botanische naam. In het Duits noemt men het geslacht Möhren.