


Het geslacht kent 175 plantensoorten, waarvan slechts een enkele voor commercieel wordt verbouwd. Het zijn een- of tweejarige kruidige planten, waarvan de bloemen in trosjes of schijntrosjes groeien. De planten dragen gevleugelde 'hauwtjes'. Een hauwtje, een doosvrucht, bestaat uit twee met elkaar vergroeide vruchtbladen, waarin de zaden zijn gevangen. Hauwtjes zijn karakteristiek voor planten van de Brassicaceae.
Voor consumptie worden behalve de tuinkers (Lepidium sativum), het peperkruid (Lepidium latifolium) en de wortel van de maca (Lepidium meyenii) gebruikt. Maar ook van veel andere soorten wordt het blad gebruikt, zoals van veldkruidkers (Lepidium campestre). Van één soort, de Amerikaanse kruidkers (Lepidium virginicum) worden de zaden vooral in Noord-Amerika als een soort mosterd gebruikt. Hij wordt daar onder meer pepergras genoemd.
Dit Amerikaanse plantje zou je een pseudo-mosterdplantje kunnen noemen, ook wel bekend als pepergras. In Amerika wordt er inderdaad een soort mosterd van gemaakt.
Deze plant behoort tot de wortel- en knolgewassen van de Andes, waar hij van oudsher verbouwd wordt om zijn eetbare knollen. Daar wordt ook (maca)meel van gemaakt.
De opkomende plantjes worden gesneden voor ze uitlopen, cress avant-la-lettre, in de vijftiger en zestiger jarfen ongelofelijk populair op een boterham met kaas bijvoorbeeld.
Deze plant, ook wel bekend als de Armelui's peper, is in Noord-Amerika inheems, en werd gebruikt zoals peper, vandaar de weinig vleiende bijnaam.
De geslachtsnaam Lepidium komt van het Griekse lepis, wat schub oif schaaltje betekent. Daarmee wordt gedoeld op de langwerpige doosvruchtjes, hauwtjes, die op schubben lijken.